De kommanderij van de Duitse Ridderorde te Bekkevoort

Alvorens het castellum van Bekkevoort en zijn omgeving helemaal aan de Duitse Orde toebehoorde, hebben vier eigenaars van hun rechten afstand moeten doen.  Het waren de heer van Diest, Willem van Bekkevoort, de hertog van Brabant en Jan van Meerbeek.  Het is onmogelijk de geleidelijke aangroei van de bezittingen te volgen, daar de bestaande bronnen ons weinig details geven.

Lea Liekens uit Hasselt maakte als verhandeling, aangeboden tot het bekomen van de graat van licentiaat in de Wijsbegeerte en Letteren (1969) o.l.v. Dr. J. Buntinx, een merkwaardige studie over deze kommanderij, met als titel: "DE KOMMANDERIJ VAN DE DUITSE RIDDERORDE TE BEKKEVOORT (1229-1566).  Graag werden haar inlichtingen verstrekt over de kommandeurs, hun wapen en hun familie.  Toen de heraldiek van de kommandeurs werd bestudeerd, werd vastgesteld dat er aan de oorkonden van de kommanderij van Bekkevoort geen enkel wapenzegel van de kommandeurs hing.  Dit moet ons echter niet verwonderen, want tot in het begin van de 16e eeuw was "wapenluister" aan de broeders verboden.

Gedacht werd deze leemte aan te vullen door de "Armorial Belge" in te kijken, want daarin stonden immers uitvoerige heraldische beschrijvingen van de kommandeurswapens van de balie van Oude Biesen.  Bij nader onderzoek konden voor Bekkevoort slechts drie namen teruggevonden worden, nl. in de lijst die aan de hand van oorkonden werd opgesteld.  Om volledig te zijn volgt hier de lijst van de kommandeurs zoals zij in voornoemd werk voorkomt:

Arnould van Veldeken (1257), Jehan van Leeuwe (1288-1296), Florent van Schinnen (1296-1316), Ogier van Haren (+1346), Walrave van Valkenburg (+1371), Renier de Doringk (+16 januari 1381), Godefroid de Richebeck (+1402), Conrad de Guydehoven (+1418), Michel de Brandenbourg (+1430 in LivoniŽ), Hugues de Rougrave (+1458), Guillaume T Zevel (+1489), Goeswuin de T Zevel (+1500), Jean de Gohaing (+1547), Wiric Herman de Lynden (kommandeur in 1551 en + in SileziŽ).

Opvallend is wel dat, Arnold van Veldeken ook de eerste kommandeur is, die wij in de archiefbronnen teruggevonden hebben.  Ook Jehan van Leeuwe (1288-1296) die P. Bohet in zijn boek opgeeft, stelt weer een probleem.  Hij zou met Jan van Heelu, auteur van het verhaal over de slag van Woeringen, kunnen vereenzelvigd worden.  In Jan van Heelu zou men dan toch een kommandeur van Bekkevoort mogen zien.  Verder werden uit de lijst in "Armorial Belge" nog enkel Willem van T Zevel en Goeswyn van T Zevel in de archiefstukken teruggevonden.

De eerste kommandeur die het beheer van de kommanderij waarnam, was Arnold van Veldeken.  Wij kunnen ons de vraag stellen of hij behoorde tot de familie van de dichter Hendrik Van Veldeke?  Zijn naam wordt slechts eenmaal aangetroffen en dat als getuige bij een schenking, die de heer van Meerbeek in 1257 deed aan de Begarden van Diest.  Zijn familiewapen kunnen wij als volgt beschrijven: "in sabel een huisanker van zilver, faasgewijze geplaatst".

In 1266 word een zekere broerder H... (Henricus) als kommandeur genoemd en in 1273 een zekere broeder Johannes.  Het betreft hier wellicht Johannes van Rummen, die reeds in 1270 kommandeur van Bekkevoort was.  Dan volgt een periode van 22 jaar waarin geen kommandeur bekend is.  Dit wil evenwel niet zeggen, dat er toen te Bekkevoort geen kommandeur was.  In 1300 vinden wij  Joannes van Lymboch als kommandeur.  Vermoedelijk voerde hij als wapen "in zilver een leeuw met gespleten staart van keel, gekroond, getongd en genageld van goud".  Goswin Gouthakker was kommandeur van Bekkevoort in 1305.  Of zijn familie verwant was aan de Zoutleeuwse schepenfamilie met dezelfde naam, zijn wij niet op het spoor kunnen komen.  Hij voerde als wapen "in zilver een stijgerend paard van keel".  Dertien jaar later, nl. in 1318 wat Otto van Zalmen kommandeur.  Het wapen van deze familie was volgens de heraut Gelre "in zilver twee gekroonde van elkaar afgewende zalmen van keel".  (Soms is het veld bezaaid met zilveren kruisjes).  In 1344 wordt een zekere Gelduphus vernoemd en ca. 1348 in Geraard van Havert zijn opvolger.  Laatsvernoemde voerde als wapen "in keel een ankerkruis van zilver".  Dan volgt een periode van 23 jaar waarin geen kommandeur met name gekend is.

In 1373 treffen wij Goeswinus de Aquis als kommandeur aan.  Hier wordt natuurlijks Goswin van Aken bedoeld.  Het was ons onmogelijk een familiewapen op het spoor te komen.  In 1381 oefende broeder Reynart van Huesen het ambt van kommandeur uit.  In 1382 is hij kommandeur te Bekkevoort en waarschijnlijk vanaf 1384 landkommandeur.  Aangaande deze familie kunnen wij zeggen, dat reeds in 1345 een Gerlach van Husen man van wapen was bij de markgraaf van Gulik.  In 1369 spreekt men van "here Bruke van Husen, armiger", die afkomstig was uit het dekenaat Keulen.  Deze voerde als wapen "in ... een dwarsbalk van ..., vergezeld in het schildhoofd van een barensteel van ...".

Tot in 1412 wordt geen kommandeur van Bekkevoort meer genoemd.  Dan treedt Joes de Villier uit de bronnen naar voren.  Vanaf 1426 treffen wij Johan Leeuws als kommandeur aan.  Volgens Bohet voerde Johan van Leeuwe "in goud een leeuw van keel".  Hij wordt in 1438 voor het laatst als kommandeur van Bekkevoort vermeld.  Te Bekkevoort werd hij vervangen door Jan Bruyninx, die in 1440 als kommandeur een erfpacht afsloot.  Indien Johan van Leeuwe uit het Loonse stamt, dan is het niet uitgesloten dat iemand uit de streek hem opvolgde.  De familie Bruyninx was immers voor een gedeelte heer van Brustem, op enkele kilometers van Rijkel gelegen, waar de familie van Leeuwe goederen bezat.

De familie Bruyninx voerde "in goud twee dwarsbalken van keel, met in een zilveren vrijkwartier drie leeuwen van sabel, geplaatst 2-1".  Gielis van Bouchout was kommandeur van Bekkevoort in 1449.  Hij wordt in deze functie met name vermeld tot 1467.

Dit geslacht voerde "in zilver een kruis van keel".  Gielis van Bouchout werd te Bekkevoort opgevolgd door Willem van Tzevel.  Deze verpachte in 1470 de molens van Bekkevoort.  Willem Tzevel was eerst kommandeur van Meuwen Biezen te Maastricht, vervolgens werd hij kommandeur van Sint-Pietersvoeren.  Hij verliet deze kommanderij voor die van Bekkevoort, waar hij in 1489 overleed.

Het schild van de familie Tzevel kunnen wij als volgt beschrijven: "in keel een latwerk van zilver; over alles heen een barensteel van azuur".  Op de grafzerk van Willem werden door zijn (neef?) twee wapenschilden aangebracht.  Het zijn de wapens van de Duitse orde gedeeld met Tzevel en het wapen Schaesbergh.  Opmerkelijk is wel, dat zowel in het wapen Tzevel als in het wapen Schaesbergh, de barensteel die bij de schildfiguren hoorde, niet werd gekapt.  Volgens Baron de Crassier waren de ouders van deze Willem ridder Jan Tzievel en Eva Merotgen.

Godevaart van Uden was in 1495 kommandeur.  Hij voerde als wapen "gedeeld: I, in zilver twee rode dwarsbalken vergezeld van 7 zwarte merletten; II, in azuur drie zilveren rozen, geplaatst 2-1".  Goeswijn van Tzevel wordt voor het eerst als kommandeur vermeld in 1504.

Volgens Baron de Crassier zou hij een broeder van Willem Tzevel geweest zijn, wat echter niet mogelijk is.  Goeswijn van Tzevel plaatste tijdens zijn beheer een grafzerk ter memorie van zijn (oom?) Willem van Tzevel en voor zichzelf.  Deze steen is thans nog in de kerk van Bekkevoort te zien en zoals wij reeds schreven, staan op deze steen de wapenschilden Tzevel en Schaesbergh.  Zijn opvolger was Jaspar van Schaesbergh.  Deze wordt als kommandeur aangetroffen van 1526 tot 1560.  De familie Schaesbergh voerde als wapen "in zilver drie koeken van keel, vergezeld in het schildhoofd van een barensteel van azuur".  Vermoedelijk was Jaspar van Schaesbergh een familielid van Goeswijn van Tzevel.

Goedert van Ahr volgede Jaspar van Schaesbergh op als kommandeur.  Hij was in 1548 in de Duitse Orde opgenomen en uit zijn adelsverklaring van die datum blijkt, dat hij minstens vier kwartieren kon voorleggen en alzo aan de vereisten voldeed.  Hij was in 1561 kommandeur en behield deze functie tot in 1570.  De familie van Ahr voerde volgens Rietstap "in keel twee zilveren rozen en een gouden ster, geplaatst 2-1.

.

(bewerkt door F. GOOLE, artikel raadpleegbaar in Vlaamse Stam, jaargang 1971, p.195)

Deze informatie is vrij beschikbaar.
Nochtans zou ik het zeer op prijs stellen moesten aanvullingen mij kenbaar worden gemaakt.