Bertram in het land van Waas (14e-16e eeuw)

Het geslacht Bertram is een aloud en riddermatig geslacht van het land van Waas.  Het wordt te Bazel reeds vermeld in 1242, te Kruibeke in 1295, te Rupelmonde in 1315.

De Betrams van onderstaande fragmenten leefden te Bazel en te Rupelmonde.  In de parochieboeken aldaar komt er nog n voor, nl. Levina Bertrams, gedoopt te Bazel 2 januari 1600, dochter van Jacob en Anna Loys.  Te Haasdonk vinden we n huwelijk: Gillis Bertram, chirurgijn, wonende te Beveren, doet ondertrouw te Haasdonk op 13 februari 1601 en trouwt te Beveren op 27 februari met Anna Rombaut; ze hadden drie kinderen: Loys, Johanna en Katelijne (hoofdcijns Sint-Amelberga, Haadonk).  Ze waren wellicht de laatste telgen van een geslacht dat over meer dan drie eeuwen onder de aanzienlijke geslachten van de streek telde.

Onderstaande fragment steunt voornamelijk op de grafelijke cijnsboeken voor Bazel en Rupelmonde, op de cijnsboeken van de heer van Kruibeke, alsmede op de cijnsboeken van Beaufort a. Byaffoert, een heerlijkheid die van de heerlijkheid Kruibeke afhankelijk was, maar waarvan de gronden op Bazel lagen.

***

I. PIETER BERTRAM, te Bazel, overleden vr 1350, trouwde ...

In de grafelijke cijns te Bazel a 1350 vinden we van hem de volgende kinderen:

1) Maria f. Petri Bertrams: betaalt te Bazel in 1350 op 1 bunder min 50 roeden: 22 d. cijns

2) Margareta f. Petri Bertrams: betaalt te Bazel in 1350 vijf schellingen cijns op 2 bunder; ook zo nog in 1376 en in 1398/99

3) Johannes f. Petri Bertrams: volgt onder IIa.

4) Petrus f. Petri Bertrams: volgt onder IIb.

IIa. JOHANNES F. PETRI BERTRAMS trouwde ...

Grafelijke cijns te Bazel in 1350: Jan betaalt 6 s. op drie bunder en 6d. op een kwart bunder; ook zo nog in 1376.  Verder nog te Bazel in 1350 negen deniers op 1 gemet 40 roeden, en andermaal 10 d., 14 d., gekomen uit Margriet, weduwe Joh. Tonsoris en 1 d. gekomen uit Cath. uxor Sigheri Bloc; deze cijnsen gaan later over op zijn dochter Elisabeth en van deze op zijn dochter Margriet.

In 1377/78 hield Jan een grafelijk leen, wellicht het leen dat in 1435 door Gillis Bertram f. Pieters (onder IIIb) wordt gehouden.

In 1390 had Jan grond liggen onder de heerlijkheid van Coolem: "Heyle van Raemsdonc Pieter soens dochter, Jan Raes wijf, te Baersele ... op ij buender verleender erven ... comt west ane sente Amelberghen scrijnwech, oest ane Janne Bertrame ... ende gaet te wette voer mijn vrouwen vanden Moere".

De cijns van 1398 te Rupelmonde vermeldt dat Jan en zijn broer Pieter gronden hadden liggen te Rupelmonde en dat op ieders gronden een gelijke cijns van 15 d. stond.  Jan was toen reeds overleden en zijn gronden werden door anderen gehouden.  Pieter echter betaalde zelf nog de cijns en bij hem wordt aangestipt dat zijn gronden uit Pieter Staes kwamen.  Die van zijn broer Jan wellicht dan ook.  Was die Pieter Staes hun maternele grootvader?  De beide broers hadden echter ook op Rupelmonde gronden liggen die gekomen waren uit Danil Haghelgans.

De kinderen:

1) Johannes f. Joh. Bertram: volgt onder IIIa.

2) Elisabeth f. Joh. Bertram: betaalt in 1376 te Bazel 34 d., waaronder de 9d. op 1 gemet 40 roeden, gekomen uit hun vader.

3) Margriet f. Joh. Bertram: neemt enkele jaren na 1376 de cijns van 34 d. over van haar zuster Elisabeth; in 1398 betaalt ze nog 22 d. over tien jaar; de andere 12 d. zijn vr 1398 reeds overgegaan op Margr. f. Joh. de Walle; de 22 d. gaan over op Egidius en Petrus Couthals f. Symond.

IIIa. JOHANNES F. JOH. BERTRAM, grauwerckere, d.i. bontbewerker, vooral van grijs bont, trouwde ...

Jan betaalt in de cijns van 1350 te Rupelmonde, zeven jaar nadat het boek geschreven werd: 7 d. gekomen uit Elisabeth, uxor Egid. vanden Broucke; de zeven laatste jaren dat het boek werd gebruikt, betaalt hij een tweede cijns van 7 d., gekomen uit Petrus van Mortre; deze laatste cijns betaalt hij nog 13 jaar na 1376; hij stierf dan wellicht ca. 1389.

De kinderen:

1) Johannes Bertram, grauwerckere, neemt een cijns van 7 d. over van zijn vader, te Rupelmonde; hij betaalt die cijns nog in 1398; de cijns werd later overgerfd door Petr. Coppin.

2) Katherina f. Joh. Bertrams, pelsmakere: in de cijns van 1376 te Bazel betaalt ze vanaf 1378, op 1 gemet 40 roeden, een cijns van 10 d., toen gekomen uit Joh. f. Egid. Bertram, balivus; in de cijns van 1398 betaalt ze die cijns nog over 7 jaar.

IIb. PIETER BERTRAM, overleden na 1411, trouwde Margriet f. Joh. van Eschbrouch, overleden na 1415.

In 1350 betaalt Pieter in Scoucele (Bazelbroek) 2 s. op n bunder en te Bazel 12 + 4 + 1 d. op een half bunder en een half gemet land.  In 1376 betaalt hij nog dezelfde cijnsen; vijftien jaar later komen daarbij 4 + 33 + 16 d.

Alle cijnsen van 1376 worden ook nog in 1398 betaald en veelal over dertien jaar, d.i. tot in 1411 of 1412; een van de cijnsgronden ligt op "de eschbrouchke", een andere "op Scoudriesch".  In 1398 had Pieter ook gronden liggen op Rupelmonde, zoals gezegd is onder IIa.

Pieter heeft mogelijk het leen van zijn broer Jan gekocht, dat in 1435 door zijn zoon Gillis wordt gehouden.  Volgens het rentenboek van het Molenbrouck bezat hij in 1409 alles samen 11 bunder.

Margr. f. Joh. van Esbrouch betaalde in 1398 twee schellingen cijns over 17 jaar, welke cijns dan overgaat op de dochter Kat. f. Petri Bertram.

Op 7 november 1411 schonken Pieter Bertram en Margriet van Heesbroek aan de kerk van Rupelmonde een stuk land, gelegen in Bazelbroek.  Volgens de cijns van Scoucele had Pieter daar inderdaad een bunder land liggen; later ging het land over op zijn zuster Margriet om in 1398 weer naar hem te komen; in het cijnsboek van 1433 wordt het land niet meer vermeld.

In 1393/94 en 1395/96 werd Pieter beboet; de tweede maal om het oordeel van de hoogschepenen te hebben tegengesproken.

De kinderen:

1) Egidius f. Petri Bertram: volgt onder IIIb.

2) Elisabeth f. Petri Bertram: betaalde in 1398 de grafelijke cijns te Bazel: 17 s. 9 d. en nog eens 29 d. "van den Esbroucke".

3) Katelina f. Petri Bertram: betaalde in 1398 te Bazel 12 d. + 8 s. 5d. + 2 s. + 16 d.  In 1433 betaalde ze nog te Bazel 6 s. 3 d.

4) Margreta f. Petri Bertram: betaalde in 1398 te Bazel 8 + 16 d.; in 1433 betaalt ze nog te Bazel 8 d.

5) Adriaen Bertram fs Pieters: houdt in 1468 te Bazel twee gemeten volgleen uit Coolem; in de grafelijke cijns te Bazel wordt hij niet vermeld; hij woonde wellicht op Temse.

IIIb. GILLIS BERTRAM, geboren 1370/75, overleden na 1435, trouwde ...

Gillis staat als schildknaap vermeld op de lijst van de Wase edellieden ten jare 1429.  Hij was ook onder de edellieden die in 1421 met Philips de Goede naar Frankrijk togen om de moord op Jan zonder Vrees te wreken.

In 1435 was hij beleend met een grafelijk leen te Bazel, een "bootscapgoet": 5 bunder groot, waarvan 3 bunder foncier.  In 1528 werd dat leen gehouden door Barbele Bertram en de belendingen die dan worden aangegeven, wijzen uit dat het leen bij de zuidelijke rand van de Roomcauter lag; d.i. nu te Steendorp, halfweg de Warandestraat.

In de grafelijke cijns te Bazel anno 1398 betaalt Gillis vanaf 1407: 35 d. gekomen uit Margr. f. Petri Couthals, en 24 d. uit zijn vader, andermaal 18 d. gekomen uit zijn zuster Elisabeth.  De eerste cijns betaalt hij ook nog in 1433; de cijns gekomen uit zijn vader bedraagt dan nog 6 d.

Volgens het rentenboek van het Molenbrouck bezat Gillis op 't einde van zijn leven 11 bunder landerijen.

In 1431/32 werd hij beboet omdat hij de nalatenschap van Gillis Erweyer voor het gerecht had getrokken; ook in 1435/36 werd hij beboet.

Van de kinderen kennen we:

1) Pieter Bertram: volgt onder IVb.

2) Amelberge Bertram: trouwe Jan Brisinc.  In 1468 hield Amelberge te Bazel 2 gemeten volgleen uit het boodschapgoed van haar broer Pieter; 8 gemeten volgleen van Jan van Steelant uit Tervarent; 8 gemeten van Anthonine Massemine en 16 gemeten van Kateline van Rotselaer uit Wissekerke.

IVb. PIETER BERTRAM, overleden na 1481, trouwde Amelberge van Overvelde.

Het huwelijk kennen we  uit de cijns te Kruibeke in 1495: "Cornelys Bertram f. Pieters uit Amelberghen van Overvelde, Pieter Bertrams wijs, over Margriete Gillis dochter van Vivere: 15 d. par.".

Pieter wordt beboet in 1454/58.  In 1468 was hij schepen van Bazel en zegelde toen met een gaande beer; volgens de lijst van de weerbare mannen was hij nog schepen in 1480.

Hij volgde zijn vader op in het boodscapgoed te Bazel.  Hij hield daarbij nog twee belangrijke volglenen.  Uit het hof ten Loghenhaghen hield hij "het Goet ten Bossche": 25 gemeten groot, waarvan 9 gemeten foncier; zijn vrouw hield uit hetzelfde hof vijf vierendeel bunder.  Uit de heerlijkheid van Coolem hield Pieter 8 bunder, waarvan 8 gemeten foncier.

Te Gent werd Pieter op 22 december 1481 door de Raad van Vlaanderen veroordeeld (samen met Jacques van Mare, baljuw van Waas, en de andere Wase leenmannen, onder wie Michiel de Buekele en Pieter Couthals) wegens het wederrechtelijk gevangen zetten en folteren van een keurbroeder op het kasteel van Rupelmonde.  Elke veroordeelde werd een boete van 100 pond parisis opgelegd.

Op n man na was Pieter Bertram de voornaamste volgleenhouder van Coolem.  In een charter van 5 september 1481 staat hij zelfs als eerste man "van gronde van leene" vermeld.  Daar de heren van Coolem de zetel van de heerlijkheid, het Coolemhof, zelf niet bewoonden, woonde daar ongetwijfeld een van hun grote volgleenhouders.  Wij hebben alle redenen om aan te nemen dat Pieter Bertram er woonde.  Het Coolemhof, een omwalde hofstede, ligt in de Tweede Kraakwijk; in 1637 heet die wijk "alias den Bertram".  In de archivalia is ook herhaaldelijk sprake van "Bertramakkers", die allen in die Tweede Kraakwijk lagen.  Zo hebben de Bertrams op die wijk hun stempel gedrukt.  Ze hadden er reeds gronden liggen in 1390: zie onder IIa.  Het is niet onmogelijk dat ze het Coolemhof over meerdere generaties hebben bewoond.

Van 1452 tot 1467 hield Pieter Bertram nog de tienden van Boudelo te Bazel.

Van de kinderen kennen we:

1) Gillis Bertram: trouwde met ...  Gillis moet de drie lenen van zijn vader gerfd hebben, want in 1528 worden die lenen gehouden door zijn dochter Barbele Bertram Gillisdr., vrouw Nicasen van de Velde; Barbele houdt het Bootscapgoet, het volgleen van Coolem en het Goet ten Bossche.  Barbele was ook eigenares van de hofstede die op de hoek van de huidige Eyerputstraat en Molstraat ligt (nu Steendorp), alsmede van "den Eertackere" die achter de hofstede ligt en aan land paalt dat toen aan haar oom Cornelys Bertram toebehoorde.  Wellicht heeft Barbele die hofstede bewoond.

2) Amelberge Betram: trouwde Gillis Herweyers.  Cijns van Beaufort anno 1450: "Amelberche Beertrams f. Pieters, Gillis Herweyers wiif, gelt uut sceyse van Pieter Beertram haren vader.

3) Kateline Bertram: trouwde Jan Houweele.  Cijns van Beaufort anno 1450:" Kateline Beertrams f. Pieters, dwijf Jan Houweele, uute selve (Pieter Beertram)".  Zelfde cijns anno 1495: "Kateline, Johannes Houweels wijf, over Amelberch Beertams Gillis Herweyeeren wiif: 18d."; dezelfde nog eens 17 d.  De zoon, Lauwereys Hauweel, priester, hield in 1528 o.m. een half bunder volgleen uit het boodscapgoet van zijn nicht, Barbele Bertram.

4) Cornelis Bertram: volgt onder Vb.

Vb. CORNELIS BERTRAM, overleden te Rupelmonde 1519/24, trouwde Heyken Brouwers.

Op 13 mei 1525 hield Heyken met haar kinderen "verpaerthinge ende verdeelinge".  Uit de akte daarvan vernemen we dat ze een hofstede bewoonden, die gelegen was op het Poortgoed van Rupelmonde (nu grondgebied Bazel); met de boomgaard erbij was die hofstede een half bunder groot.

Er werden ongeveer 50 gemeten landerijen verdeeld, waarvan meerdere op Kruibeke lagen.  Heykens deel bestond uit 14 gemeten, een viertal renten en de helft van voornoemde hofstede.  De andere helft van de hofstede werd toegekend aan de zoon Pieter als "houwelijck goet".

In de cijns van Kruibeke anno 1535 lezen we: "Heyke sBrouwers, weduwe Neel Bertram, uit Cornelis Bertram: hoender".

De kinderen volgens akte van boedelscheiding:

1) Cornelis Bertram, overleden in 1526, trouwde ...  Cornelis erfde o.m. de vijf vierendeel bunder volgleen, die zijn grootmoeder Amelberge van Overvelde in 1468 hield uit Loghenhaghe; hij erfde nog 6 andere gemeten uit dezelfde heerlijkheid.  Op 12 april 1527 verhief Machiel van de Vijvere, als voogd van Adriaenke Bertrams f. Cornelis, n bunder leen uit Loghenhaghe.

2) Pieter Bertram, in 1525 nog minderjarig, trouwde kort daarop Margriet Vijt, dochter van Joos en Catelijne Volckericx.  Margriet Vijdt hield in 1528 twee gemeten volgleen uit het boodschapleen van Kathelijne sBueckels.  Twee kinderen: Jan en Pieter Bertram.

3) Lijsbette Bertram: trouwde vr 1525 Jacob Vergouwen.  Lijsbette hield in 1528 te Bazel 4 gemeten volgleen uit het leen dat haar nicht Barbele Bertram hield van Coolem; ze had die vier gemeten gerfd van haar vader.

4) Amele Bertram: trouwde vr 1525 Gillis Hauman Pietersz., overleden vr 1572.  Het echtpaar bewoonde te Bazel de hofstede Beeckhouck nr. 103, d.i. langs de oostkant van de Kerkstraat, iets voorbij de Gauwstraat.

5) Janne Bertram, overleden te Bazel vr 1554, trouwde vr 1525 Joos de Bosschere a. vanden Bossche, weerbaar man te Bazel in 1552.

(bewerkt door A. MARIS, artikel raadpleegbaar in Vlaamse Stam, jaargang 1971, p.301)

Deze informatie is vrij beschikbaar.
Nochtans zou ik het zeer op prijs stellen moesten aanvullingen mij kenbaar worden gemaakt.