XIXde-eeuwse bidprentjesportretten

Het bijeenbrengen van een betrouwbare verzameling familieportretten is wellicht een der moeilijkste taken voor de familiekundigen.  Degelijk geïdentificeerde portretten behoren dan ook tot de meest waardevolle stukken die in het familiearchief bewaard worden.

Vele geïnteresseerden hebben echter tot hun spijt en ontgoocheling moeten ervaren dat zeldzame XIXde-eeuwse portretten, hun nagelaten door ouders of familieleden, waardeloos bleken wegens de onmogelijkheid tot identificatie van de geportretteerde personen.  Verheugend is het dan ook te weten dat talrijke portretten van gewone burgers bewaard bleven onder vorm van portretbidprentjes die - gemaakt en verspreid ter nagedachtenis aan dierbare familieleden - het grote voordeel bieden dat, door de tekst die het portret onafscheidbaar vergezeld, elke betwisting omtrent de identiteit van de geportretteerde wordt uitgesloten.

Nog schaars vóór 1860, werden de portretbidprentjes in de daaropvolgende jaren geleidelijk, en gelijklopend met de ontwikkeling van de fotografie, minder zeldzaam om rond de eeuwwisseling een ruim bestaan te veroveren.  Alhoewel ze dus onmiskenbaar hun opgang danken aan de evolutie van fotografische technieken, werden vóór 1890 de bidprentjesportretten meestal lithografisch uitgevoerd.  Kostprijs en oplage waren hierbij beslist doorslaggevend.

Tijdens de tweede helft van de negentiende eeuw, genoot Gent een ver buiten de stadsgrenzen reikende bekendheid, als centrum voor de aanmaak van lithografische portretprentjes.  De portrettisten en/of steendrukkers L. Defferez, P. De Pannemaeker, N. Heins, J.B.D. en T. & D. Hemelsoet, J. Lobel, G. Jacqmain, F. Van Loo, A. Verheughe, e.a., brachten er dergelijke prentjes op hun actief.

Haar faam op dat gebied dankte de Arteveldestad voornamelijk aan de uitzonderlijke productiviteit van portrettist Florimond Van Loo, van wie vele honderden bidprentjesportretten bewaard bleven in tal van verzamelingen.  Ongeëvenaard, qua belangrijkheid en bewaring, is het portretprentjesbezit van de bibliotheek der Rijksuniversiteit te Gent.

Het inventariseren van die Gentse en van andere verzamelingen, leidde tot de samenstelling van een repertorium van XIXde-eeuwse portretbidprentjes, waarin reeds meer dan zeventienhonderd lithografische portretten van Gentse oorsprong konden worden opgetekend.

Het hoofdbrok, gewijd aan het oeuvre van Florimond Van Loo, heeft betrekking op 1.519 portretten, die chronologisch - op basis van de overlijdensdatum der geportretteerden - zijn gerangschikt.

Bij de samenstelling van dit repertorium is de beperking tot het verstrekken van biografische informatie weggebleven.  Andere aspecten, zoals de gebruikte taal voor de tekstdruk en de onderscheiden tekstdrukkers, genoten eveneens aandacht.

Met het optekenen van 121 verschillende tekstdrukkers/opdrachtgevers - verspreid over 41 gemeenten, waaronder: Antwerpen, Belle, Brugge, Brussel, Geraardsbergen, Ieper, Leuven, Mechelen, Puurs, Turnhout en Verviers, om er slechts enkele te noemen buiten het Gentse - worden belangrijke inlichtingen ter beschikking gesteld in verband met het verspreidingsgebied van de Gentse portretprentjes.

De lithografische bidprentjesportretten werden, uiteraard, pas na het overlijden van de geportretteerde getekend.  Het is dan ook duidelijk dat de portrettist niet werkte naar het levend model, doch dat hij voor dit soort werk moest kunnen beschikken over oudere - meestal niet nader te dateren - geschilderde, getekende, of fotografische portretten, die gemaakt waren tijdens het leven van de aflijvige.

Dit verklaart waarom het aantal lithografische bidprentjesportretten toeneemt naarmate er meer fotografische opnamen in omloop kwamen, en ze terug in aantal afnamen en volledig verdwijnen naarmate de portretten op voordeliger wijze langs foto-typografische weg konden worden vermenigvuldigd..  Als we daarbij voor ogen houden dat men vóór 1900 niet zo vaak voor de camera poseerde, dan mogen we als regel aannemen dat de lithografische bidprentjesportretten teruggaan tot modellen die meestal wel enkele jaren en soms veel ouder zijn dan de overlijdensdatum.

Slechts in zeer zeldzame gevallen wordt de leeftijd van de geportretteerde vermeld, ten tijde van het oorspronkelijk portret.

Zijn we slecht ingelicht omtrent de datering van het portret dat 'model' stond, dan beschikken we over meer gegevens i.v.m. de nodige aanmaaktijd van het lithografisch bidprentjesportret.  Gedateerde aankondigingen in de tekst, in verband met de plechtige uitvaart, laten ons toe te besluiten dat de meeste lithografische portretprentjes werden vervaardigd binnen de drie weken tot twee maanden na het overlijden.  Dit wordt o.m. bevestigd door het jongste aan ons bekende bidprentjesportret van portrettist Florimond Van Loo, nl. het portret van Emilienne Vandenhove, die op 20 november 1900 te Geraardsbergen overleed, hetzij minder dan twee maanden vóór de dood van Van Loo (13-01-1901).  Er werden er echter ook binnen kortere tijd in omloop gebracht.  Zo kwam het portretprentje van P. J. De Sadeleir, pastoor van Vlassenbroek, binnen het tijdsbestek van één week gereed (+ 27-08-1866, met de mededeling de uitvaart zal plaats hebben op dinsdag 4 september 1866, ten 9 ure 's morgens).

Enkele schaarse aantekeningen van de auteur, op prentjes in de verzameling van de Gentse universiteitsbibliotheek, werpen een licht op de soms vrij belangrijke oplage waarop deze lithografische portretten werden afgedrukt.

Als lithografisch procédé voor de aanmaak van bidprentjesportretten, genoot de krijttekening een uitgesproken voorkeur.  Hierbij werd gebruik gemaakt van lithografisch crayon - vervaardigd op basis van was, vet en zeep - waardoor de portretten het uitzicht kregen van pasteltekeningen.  Slechts een gering aantal portretten werden met de pen op steen gebracht en nog zeldzamer maakte de portrettist gebruik van de graveerstift.

Florimond Van Loo bediende zich praktisch uitsluitend van de krijttekening als expressiemiddel.  Zijn portretten drukte hij op opgedikt papier, dat verkregen werd door een dun velletje papier drager van de afbeelding te kleven op een steviger basispapier.  De ovale of rechthoekige 'dragers', die tevens het portret aflijnen, kregen vrij vlug vaste afmetingen.  Alleen bij de oudste portretten werden ze met de hand uitgesneden, waardoor formaatafwijkingen niet te vermijden waren.

(bewerkt door F. LEMMENS, artikel raadpleegbaar in Vlaamse Stam, jaargang 1971, p.323)

Deze informatie is vrij beschikbaar.
Nochtans zou ik het zeer op prijs stellen moesten aanvullingen mij kenbaar worden gemaakt.