De Brusselse Geslachten

Heel wat families kunnen er prat op gaan af te stammen van de Brusselse geslachten.

Graag willen wij in dit artikel wat meer vertellen over de eens zo machtige vereniging, die gedurende eeuwen te Brussel het roer in handen had.

In een oorkonde van 1306 en gegeven door hertog Jan III van Brabant, wordt er voor het eerst melding gemaakt van de zeven geslachten met name: Coudenberg - Roodebeke - Serhuyghs - Serroelofs - Sleeus - Steenweegs en Sweerts. De leden van deze families waren de voornaamste grondeigenaars binnen en buiten de stadswallen van Brussel en hielden zich bezig met groothandel in laken of kozen een vrij beroep, zoals dat van procureur, advokaat, geneesheer; of waren renteniers. Ook heel wat edellieden waren bij de geslachten ingeschreven, want in de ledenlijsten van 1376 vinden wij een aantal ridders en leenheren uit de omgeving van Brussel. Daar het mogelijk was langs vrouwelijke linie in de geslachten te worden opgenomen, is het niet te verwonderen dat wij regelmatig nieuwe familienamen in de registers terugvinden.

Om in deze zeer gesloten kring te worden opgenomen moest men, zoals wij reeds zegden, uit het ene of andere geslacht stammen, van wettige geboorte, mannelijke kunne, volwassen en van katholiek geloof zijn. Bastaarden werden niet in het geslacht opgenomen, maar hun wettige kinderen wel. Zo is het dan ook niet te verwonderen dat de vele huidige afstammelingen heel wat bastaarden van edellieden en andere voorname lui onder hun voorzaten tellen.

Indien men aan handenarbeid deed, m.a.w. een stiel uitoefende, werd men van al zijn rechten vervallen verklaard, doch de kinderen of nazaten van deze ambachtslui konden rehabilitatie bekomen.

In de 17de eeuw moest men, wilde men in de geslachten worden opgenomen, een dossier aanleggen met de "preuve van afkomst" en een stamboom opstellen om zijn aanspraken te kunnen wettigen. Deze papieren werden dan door twee commissarissen uit alle zeven stammen onderzocht. Zodoende had elk geslacht toezicht op het toetreden van een nieuw lid.

U kunt zich wel indenken dat deze archivalia zeer interessant zijn voor stamboomonderzoek, evenald de protocollen van de vergaderingen die alle nog bewaard worden, hetzij in origineel, hetzij in afschrift. Het oudste register gaat terug tot in het begin van de 15de eeuw. Daarin leren wij bv. dat het gebruikelijk was steeds op de 13de juli van elk jaar drie personen voor te dragen tot het ambt van burgemeester en schepen. Ook hadden deze voorname burgers een familiewapen. Dit getuigen de prachtig versierde wapenboeken en het was gebruikelijk het oude stamwapen bij zijn persoonlijk schild te voegen. De emblemen van de zeven oude Brusselse stamhuizen waren voor het geslacht Sleeus of Sleeuws een leeuw, die van Roodebeke een beek of golvende band, verder torens in het wapen van de Coudenberghs, zwaardpunten in het wapen van het geslacht Sweerts, schelpen in het schild van de familie Steenweghe, blokken in dat van Serroelofs en leliebloemen voor Serhuyghs. De huizen, waarin deze patriciŽrs woonden, noemde men het steen, met andere woorden een huis met een toren uit duurzaam materiaal gemaakt, daar waar de burgers slechts in lemen huisjes woonden.

Dat de leden van de Brusselse geslachten bevoorrechte lui waren vernemen wij uit de oude schepenregisters der stad, waarin we lezen dat het schepenambt hen was voorbehouden, alsook het kapiteinschap van de stedelijke militie. Verder deelden zij samen met de naties of ambachten het ambt van rentmeester en dit van "peijsmaker" of vrederechter. Ze waren lid van de Brede Raad of tweede kamer der stad. Ook kwamen ze in aanmerking voor het ambt van Caritaet-meester en het superintendenschap van de Vaart was hun uitsluitend voorbehouden. Zoals u ziet waren de leden van de zeven Brusselse geslachten bevoorrechte patriciŽrs die, al werden ze officieel nooit als adellijk aanzien, zeer graag met de titel van jonker pronkten.

(bewerkt door F. GOOLE, artikel raadpleegbaar in Vlaamse Stam, jaargang 1971, p.127)

Deze informatie is vrij beschikbaar.
Nochtans zou ik het zeer op prijs stellen moesten aanvullingen mij kenbaar worden gemaakt.