Het burgerlijk huwelijk
in Oost-Vlaanderen
in 1816

Hierna een vergelijking tussen de huwelijksregisters van de B.S. en deze van de parochie Sint-Laurentius, de enige parochie in die tijd te Lokeren.

Reeds in 1814 werd de rechtsgeldigheid van sommige Franse wetten, niettegenstaande de verklaring van de geallieerde mogendheden, in twijfel getrokken. Zo namen de kerkelijke overheden niet meer de geldigheid aan van de artikelen over de verplichting van het burgerlijk huwelijk vóór het kerkelijke. Dit was het geval te Lokeren, waar de pastoor Van Sinay op 29 october een huwelijk inzegende zonder voorafgaand burgerlijk kontrakt. Hij stuurde wel aan de maire een bewijs dat er tussen de gehuwden geen beletsel bestond. De maire vraagt natuurlijk uitleg over dit geval aan de pastoor en of deze somtijds van hogere overheid daartoe toelating had bekomen. De pastoor antwoordde dat dit niet het geval was en dat hij op dezelfde manier zal voortgaan. Hierop vraagt de maire inlichtingen aan de intendant van het departement. Er was nochtans een besluit van de prins van Oranje van 18 october verschenen en meegedeeld door een circulaire van 5 november dat het huwelijk eerst voor de maire moest worden gesloten. Dit werd dan de volgende zondag na de hoogmis op de gebruikelijke manier te Lokeren afgekondigd en in de registers van de burgerlijke stand werden de nodige verbeteringen aangebracht overeenkomstig de gegevens verstrekt door de pastoor. Zo schreef de maire op 14 november aan het departement. Deze uitspraak is echter te gunstig; het bewuste paar huwde immers slechts op 28 december voor de ambtenaar van de B.S. en een ander paar in november in de kerk gehuwd komt helemaal niet voor in de huwelijksregisters. In januari 1815 kan de maire aan de rechtbank meedelen dat alles weer normaal is. Dit zal niet lang duren. Een besluit van Willem, Prince van Oranje-Nassau etc. van 7 maart 1815 veranderde het vroegere van 18 october 1814. Dit laatste hield de wettelijke verplichting in stand voor de inschrijving van de akten van de burgerlijke stand. Voor geboorten en overlijdens was er van de kant van de godsdienst geen moeilijkheid. Voor de huwelijken echter konden wel kerkelijke bezwaren worden aangevoerd en daarom mocht de ambtenaar van de burgerlijke stand alleen dan een huwelijksakte inschrijven wanneer hem een verklaring van de pastoor of een ander gevolmachtigd priester werd overhandigd dat er geen beletsel voor het huwelijk bestond. Het besluit van 7 maart 1816, op de overweging dat priesters het burgerlijk huwelijk trachten tegen te werken door geen verklaring van afwezigheid van huewelijksbeletselen te willen afleveren, trekt het bewuste art. 2 van het besluit van 18 october in en wijzigt het 4e waarbij de vroegere straffen werden behouden en zegt nu dat alle verordeningen die het burgerlijk huwelijk verplichtend maken vooraleer een kerkelijk wordt aangegaan, afgeschaft zijn. Nochtans zullen de burgerlijke rechten zoals de wettigheid van de kinderen en andere alleen uit het burgerlijk kontratkt voortvloeien.

Het gevolg van dit besluit is dat er te Lokeren nog zeer weinig huwelijken voor de ambtenaar van de burgerlijke stand worden gesloten vóór de kerkelijke inzegening. Het volgend jaar komt de reactie. Voor Lokeren is er geen verbetering, integendeel. De rapporten van de maire ten minste schijnen daarop te wijzen. We willen eerst die rapporten ontleden zoals zij bewaard zijn in de copin van de brieven. Op 17 juli, eerste antwoord van de maire op de circulaire van 24 juni: sedert 5 juli is er een huwelijk geweest alleen voor de pastoor. Hij heeft het paar geroepen en het beloofde ook het voor de B.S. aan te gaan. Sedert die dag zijn er 10 gesloten voor de ambtenaar van de B.S. en blijven er nog 21 over waarvan er echter twee zich hebben aangeboden om de afkondigingen te doen. Er zouden dus 19 huwelijken niet in regel zijn voor de B.S. In een brief van 1 augustus: 33 huwelijken in de kerk, waarvan 4 voor B.S., blijft dus 29 over. Op 12 augustus schrijft hij: op 31 gehuwden n niet voor B.S., dus 30 over. Op 24 augustus hetzelfde aantal. Op 6 september zegt hij dat volgens ingewonnen inlichtingen er 31 zijn; op 25 september 32 en op 12 october 34. Op 2 november stuurt de maire dan een lijst van personen met hun aantal kinderen die sedert 15 januari 1814 tot 31 october 1816 niet voor de B.S. zijn gehuwd. Dit zijn er nu 43 en op 2 december 48. Een laatste brief van 9 februari 1817 geeft een aantal van 46 op.

In hoever mogen we geloof hechten aan die getallen? De maire spreekt over ingewonnen inlichtingen; we weten echter niet wat hij hierdoor bedoelt. Is dit eenvoudig een vergelijking tussen het aantal huwelijken gesloten in de kerk en die voorkomen in de register van de B.S. zonder een vergelijking van de twee registers?

We hebben de twee registers vergeleken en dit gaf de volgende uitslag. In dit van de kerk in 1814 komen 89 akten voor en in de B.S. 90. Boven werd reeds een geval vermeld van een huwelijk dat eerst in de kerk en later slechts in B.S. werd geregeld. Doch in B.S. komt op 25 januari en op 19 october een akte voor die niet in de kerkregisters vermeld zijn, maar aan de andere kant nog twee in de kerkregisters die niet in B.S. staan: een van een soldaat gehuwd op 22 juni en een ander in november, zonder datum.

Voor 1815 is de toestand helemaal anders: in het register van B.S. slechts 79 akten en in dit van de kerk 118, een verschil van 39. Wanneer we echter de namen van de gehuwden vergelijken, vinden we dat er 45 huwelijken meer werden aangegaan in de kerk.

In 1816 gaat dit verschijnsel voort, doch in minder mate: in B.S. 80 akten en in de kerk 87. Uit de getallen is echter geen besluit te trekken. Een vergelijking van de namen geeft in 1816 34 huwelijken in de kerk die niet in de B.S. zijn opgenomen.

De maire schreef op 17 juli 1816 dat er nog 21 zouden overblijven die niet in de B.S. werden geregistreerd. Nu volgens de registers hebben we tot 9 juli, dag waarop het laatste voorkomt, er 14 gevonden in dat jaar en met de 45 uit 1815 maakt dat samen 59. Hiervan zijn er echter een aantal later voor de B.S. in regel gebracht. Tot 17 juli 1816 zijn 19 huwelijken uit 1815 voor de B.S. gesloten, blijven dus nog 24 over van dat jaar. In het geheel 24 + 14 + 2 uit 1814 maakt 40.

Voor gans 1816 zijn er echter 34 in de kerk geweest die niet in de B.S. van dit jaar voorkomen; maar ondertussen zijn er nog 6 uit 1815 in regel gebracht zodat er einde 1816 slechts 20 overblijven van 1815. Daarbij de 34 uit 1816 min 4 die in januari 1817 zijn geregulariseerd maakt samen 50 terwijl de maire in zijn laatste brief 46

We kunnen de vergelijking voortzetten tot de volgende jaren en komen dan tot de volgende slotsom:

In 1815, 45 niet gehuwd voor de B.S., daarvan 25 gehuwd in 1816, 1 in 1817, 2 in 1818, blijft dus over 17.

In 1816, 34 niet voor de B.S., daarvan 9 gehuwd in 1817, 6 in 1818-1821, blijft dus 19.

In 1817 nog 1 huwelijk dus samen 17 + 19 + 1 = 37 plus nog een uit 1814, het andere geregistreed in 1815, maakt in het geheel te Lokeren 38 huwelijken die niet terug te vinden zijn in de akten van de Burgelijke Stand.

Welke waren nu die huwelijken? Voor het overgrote aantal zijn er dit waarvan een of beide partners weduwnaar of weduwe waren. Voor zulke huwelijken was er niet zoveel aan gelegen of ze al dan niet voor de B.S. werden gesloten omdat de burgelijke gevolgen als het wettigen van kinderen hier minder in aanmerking kwamen. Een ander aantal huwelijken waarbij een van huwenden niet te Lokeren was geboren: men vond het waarschijnlijk te moeilijk om de nodige bescheiden aan te vragen.

Voor de onderzoekers naar stambomen en familiegeschiedenis blijft het dus altijd noodzakelijk om voor de jaren 1814-1817 naast de huwelijksakten van de Burgelijke Stand ook die van de kerk te raadplegen.

(bewerkt door V. VERSTEGEN, artikel raadpleegbaar in Vlaamse Stam, jaargang 1971, p.21)

Deze informatie is vrij beschikbaar.
Nochtans zou ik het zeer op prijs stellen moesten aanvullingen mij kenbaar worden gemaakt.