Heraldiek: Adriaan van Diependale

In het familiearchief d'Udekom-d'Acoz, gedeponeerd op het Rijksarchief van Gent, vonden wij twee handschriften, die belangrijk zijn voor de studie van de genealogie en de heraldiek.  Het zijn de nummers 4497 en 4501 van de inventaris.  Beide handschriften bevatten wapenbeschrijvingen, grafteksten en genealogische nota's uit de provincies Brabant, Limburg en Luik.  Ze werden samengesteld door Adriaan van Diependale, die in het midden van de 16de eeuw glasschilder was te Leuven en behoorde tot een bekende kunstenaarsfamilie.  Hendrik van Diependale, die ca. 1460 huwde met Catharina van Mansdale alias Keldermans, was in zijn tijd reeds een bekend kunstenaar.  Hetzelfde kunnen we zeggen van zijn zoon Jan, die ca. 1470 geboren werd en voor 7 februari 1511 huwde met Gertrudis van de Putte alias Puttarts, dochter van Gillis en van Barbara Pauwels alias Juweliers.  Deze artist werd in het Leuvense algemeen geacht en was in 1524, samen met de schilder Albert Bouts, deken van het lakenambacht.  Evenals zijn vader kreeg Jan van Diependale belangrijke opdrachten, o.a. van de Kartuizers, de Celestijnen van Heverlee, de Augustijnen van Leuven, de abdij Sint-Gertrudis, de refugie van Averbode en ook het groot raam in de toren van Sint-Pieter werd door hem gemaakt.  Jan van Diependale overleed voor 29 april 1538 en liet vijf zonen achter, namelijk Arnold, Adriaan, Coenraad, Hendrik en Willem.  De drie eersten zouden de voetsporen van hun vader drukken en werden ook bekende glazeniers.  Adriaan, de  auteur van de twee handschriften, huwde met Margaretha van Duffel, een dochter uit een voornaam Leuvens geslacht.

Er werd reeds aangetoond, dat niet alleen wapenherauten, maar ook glasschilders wapenboeken samenstelden.  Waar de herauten hun nota's nodig hadden om een adellijke afstamming te bewijzen, gebruikten de glazeniers hun notaboeken als een soort vademecum om de klanten voor een wapenschild in "lood" zo vlug en zo goed mogelijk te kunnen bedienen.

De wapenboeken van Diependale, waarin mogelijk ook gegevens van de grootvader en de vader verwerkt werden, bevatten ook een massa grafteksten en uittreksels van obituaria.  Wij kunnen ons dan ook afvragen of de glazeniers geen heraldische gegevens noteerden in opdrachten van de wapenherauten.  Waren zij verplicht een dubbel van de door hen getekende wapenschilden aan de wapenkoningen over te maken?  Waren zij het misschien, die de adelsdiploma's zo kleurrijk versierden en hadden ze toegang tot het heraldisch archief?  Allemaal vragen waarop we nog altijd het antwoord schuldig blijven.

Tot slot willen we nog vermelden, dat het handschrift nr. 4497 in de loop van de 19de eeuw werd gekopieŽerd en dat deze kopie wordt bewaard in de bibliotheek van wijlen Graaf Th. de Limburg Stirum van Huldenberg.  Het andere handschrift wordt voor publicatie bewerkt.  Vermeldenswaard is ook, dat wij in deze manuscripten twee verschillende geschriften aantreffen, namelijk een zeer slordig geschrift op de vaste bladen en een zeer mooi en duidelijk schrift op de losse folio's.

(bewerkt door F. GOOLE, artikel raadpleegbaar in Vlaamse Stam, jaargang 1971, p.224)

Deze informatie is vrij beschikbaar.
Nochtans zou ik het zeer op prijs stellen moesten aanvullingen mij kenbaar worden gemaakt.