Frans werd geboren in de schaduw van de Sint-Jacobstoren, aan de Paddegracht, later ongelukkig herdoopt in de Prinssestraat. De jongen was twee en een half jaar oud toen zijn moeder stierf en drie jaren toen zijn vader hertrouwde. Hij was acht jaar toen het gezin op 10 augustus 1838 verhuisde naar het Kipdorp. Daar is vader geen schoenmaker meer, maar handelaar in leder. Frans kreeg zijn eerste onderricht bij meester Jozef Pieter Shaw, en zijn voortgezet onderwijs bij de Jezuïeten, die toen school hielden aan de Keizerstraat.
Frans was waarschijnlijk vader behulpzaam in de zaak, nadat hij de school vaarwel had gezegd. En hij zal de lederhandel voortzetten toen vader op 22 mei 1858 te Antwerpen overleed. Tot in 1884 bleef hij bedrijvig in zijn winkel; in 1885 wordt hij vermeld als rentenier. Zijn lederhandel werd overgenomen door Arthur Cossaert-Stoffelen, ook een bekend toneel- en kluchtliederdichter, wiens verzen meestal op muziek werden gezet door Aug. Veranneman, zoals 'Mijn blond Marieke' en 'Da's onbeleefd'. In 1888 vinden wij Frans gevestigd bij zijn tantes, de juffrouwen Dodd, onderwijzeressen, aan de Sint-Willibrordusstraat te Antwerpen; in dezelfde straat woonde in 1890 Dree De Weerdt. Van 1892 tot 1897 woonde Frans aan dezelfde straat; dan verhuisde hij naar de Oude Beurs, waar hij op 11 augustus 1906, ongehuwd is overleden, oud 76 jaren.
'Frits', zoals hij gemeenlijk werd genoemd, of ook wel 'Judocus' of 'Kring Kop', was een neef van Geeraard Jan Dodd, een veelzijdig man, schilder, dichter, novellist, archivaris van de Commissie van Openbare Onderstand te Brussel. Het schrijven schijnt dus wel een familietrek geweest te zijn. De jongere broer van Frits, Henri trad in bij de S.J. op 25 september 1851 en vertrok op 6 mei 1852 uit de ouderlijke woning aan het Kipdorp naar Drongen. Jaren lang was hij als pater Jezuïet werkzaam als volkspredikant in de kerk van de Frankrijklei te Antwerpen en, als wij de 'Kleine Gazet' van 21 oktober 1883 mogen geloven, vlaamshater, alhoewel hij zich in het openbaar graag voor flamingant uitgaf.
Gust. Baetes vertelt in "Het Vlaamsch Heelal", waarop wij grotendeels steunen, hoe hij zijn oude buur - Baetes was geboren in 1870 en woonde ingsgelijks onder Sint-Jacobstoren - nog in de poort van zijn winkel ziet staan, het lederen schort omgebonden, een fluwelen muts op het zware hoofd - 'Kring Kop' - en de lange Goudaase pijp in de mond. Tussen het hôtel de Schilde en de meesterwoning van de familie Stoopen woonde Fritz. Op de plaats van deze laatste woning en die van Fritz werd op 21 maart 1896 'A la Vierge Noire' opgericht, een gekende zaak van kleergoed, meestal voor religieuzen. Fritz zat er warmpjes in. Hij leverde leder aan schoenmakers, boekbinders, stoffeerders, enz. Toen hij rentenierde, ondernam hij reizen naar Italië, naar Parijs, naar Londen, meestal in gezelschap van vrienden. Hij had een welluidende stem en voor liefdadige werken deed men nooit te vergeefs op hem beroep. Ook zong hij rond 1880 de zondagmissen in de kerk van de Jezuïeten aan de Frankrijklei, later in de Sint-Caroluskerk, of tijdens het zielenoctaaf in Sint-Jacobs. Hij beschermde de kunst en legde een verzameling schilderijen aan, die na zijn dood, op 4 november 1906, bij Buyle aan de Meir geveild werd; catalogus in de Antwerpse stadsbibliotheek. Ook liefdadigheid was voor hem geen ijdel woord. Toen de eerste Vlaamse kermis in de Burgerkring gehouden werd ten voordele van Sint-Carolus tehuis voor oude lieden, was 'den Dodd' tapper, gekleed in blauwe kiel en brouwersschort. En men mene niet dat hij eng conservatief was: met Louis Mathot was hij in de Burgerkring de leider van de jongeren; daarbij meetingist. Die Burgerkring was gesticht in 1857. Reeds in 1858 was Dodd er lid van; bestuurslid op 15 januari 1861, schatbewaarder op 21 januari 1864, later secretaris en beide functies van 1878 tot 1897; voorzitter van de muziekmaatschappij van dezelfde Burgerkring in 1876 en nadien voorzitter van de toneelafdeling 'De Lauwerkrans'. Evenals Dree De Weerdt maakte hij liedjes op de gebeurtenissen van de dag, deed dit echter in een meer letterkundige vorm. Hij was een zeer vruchtbaar volkspoëet, maar bundelde zijn verzen nooit. De liedjes, bestemd voor de 'Gazet van Antwerpen', droeg hij naar de venter van die krant, de man met zijn houten been die zijn vaste standplaats had aan de hoek van de Groenplaats en de Nationalestraat: 'Zeg, kameraadje, geef dat straks eens af op de redactie' en weg was hij. Tijdens zijn laatste levensjaren kwam Fritz nog weinig onder de mensen. Bij zijn overlijden was hij zesenzeventig jaren oud en de jongere generatie kende hem niet meer. Later bracht de eerste wereldoorlog een totale breuk met het verleden, geheel andere tijden en andere zeden.
Nochtans zou ik het zeer op prijs stellen moesten aanvullingen mij kenbaar worden gemaakt. |