De familie Goedemé is van Rupelmonde naar Antwerpen gekomen. De eerste, die zich in Antwerpen vestigde, was Joannes Baptista Goedemé, zoon van Victor, die in mei 1843 in de Scheldestad werd ingeschreven. Vader Victor zal later ook naar Antwerpen komen er op 1 april 1862 overlijden. En andere familieleden komen Jan Baptist achterna, vinden het blijkbaar goed hier. "Onze" Goedemé, Karel Lodewijk, was sedert 1868 te Antwerpen gevestigd, vijfentwintig jaar na zijn neef Jan Baptist. Wij doen de Goedemé familie kennen in de navolgende geslachtslijst, die hoofdzakelijk die leden opsomt, welke zich in Antwerpen stad vestigden.
Zo wij Gust Baetes in "Het Vlaamsch Heelal" mogen geloven, was Karel Lodewijk in zijn jeugd ziekelijk. Bepaald van zijn negende tot zijn tiende jaar bezocht de jongen de Christelijke School van de H. Jozef te Bazel. Toen hij moest bijdragen in het onderhoud van het gezin werd hij bakkersgast, dan arbeider in een zoutkeet en in een steenbakkerij, metser, tremmer op de "Jan Davis" en de "Cockerill" met bestemming Baltische en Zwarte Zee, om eindelijk als ploegbaas bij de Hessenatie in dienst te treden.
Karel Lodewijk nam zijn verblijf in Antwerpen aan de Van Dyckkaai nr 25 (later nr 31) waar hij op 19 augustus 1868 werd ingeschreven als werkman, komend van Rupelmonde. Aan dit adres te Antwerpen woont zijn neef Camillus J.A.A.S.A. Goedemé, gehuwd met Anna Elst, die er sedert 1856 een herberg hield. In deze woning verbleven nog Carolus Franciscus Janssens, gehuwd met Amelia Joanna Goedemé: men is onder verwanten, voelt zich niet zo eenzaam in de wijdse stad. In deze herberg trad Karel Lodewijk af en toe op als kluchtzanger. Reeds op 26 juli 1869 verhuisde Karel Lodewijk naar de Lange Doornikstraat nr 22, na veertien dagen vroeger, op 11 juli van dit jaar, in het huwelijk te zijn getreden met Maria Josepha De Bie; toen was hij huisschilder. En weer komt hij bij een familielid terecht, want aan de Doornikstraat woonde zijn neef Hypolitus Fidelis Goedemé met zijn gezin en ook Emmanual Joannes Goedemé, schipper, broer van Karel Lodewijk, met zijn gezin, die sedert 1867 te Antwerpen zijn ingeschreven.
Op 6 februari 1871 verhuisde het gezin Karel Lodewijk Goedemé - Maria Josepha de Bie naar de Visberg nr 16 te Antwerpen. Hier blijft hij meer dan tien jaar gevestigd; hier zal hij zijn grote triomfen kennen. Hij is nu herbergier en facteur in bier. Zijn café, dat hij van een vriend had overgenomen, werd "In den Volksvriend" genaamd. Men moest echter te Antwerpen geen navraag doen naar uithangbord van die naam of naar Goedemé, maar iedereen wist "de Scheve" wonen. Hij hield namelijk het kleine hoofd, te klein voor zijn zwaar lichaam, schuin links. Dat hoofd was niet rond en ook niet vierkant; de ogen loerden onder zware leden en een vergoelijkende glimlach speelde hem om de mond. Die Visberg lag in de verlenging van de Kuiperstraat, naar de Schelde toe en de "Volksvriend" lag schuin tegenover de toenmalige vismarkt. Voor de havenwereld van die tijd was daar het café-chantant bij uitstek. Er stonden of zaten zij aan zij douaniers, natiegasten en dito bazen, sjouwers en stuwadoors, waterklerken en, op zondag, de echtgenoten van dit heel speciale wereldje. Van zijn vriend, de schilder Rik Schaefels (1827-1904) had de "Scheve" een piano present gekregen, die op een verhoog stond aan het eind van een lange, smalle zaal, waar normaal plaats was voor tweehonderd man; maar er waren er vaak driehonderd aanwezig en wie geen zitplaats kon bemachtigen moest staan. Op zon- en maandagen was er uitvoering van zang, dinsdags toneel. Werd er gezongen, dan wipte de "Scheve" af en toe het verhoog op en haalde een van zijn lijfliederen uit, meestal ontleend aan het repertoire van Dree De Weerdt - Fons Janssens, zijn boezemvrienden, zoals "In den tijd der eerste joden". Bij toneeluitvoeringen werden in 't begin de rollen, bestemd voor het zwakke geslacht, niet door dames gespeeld; Jan Langenus, een tabakspinner, nam die karwei op zich. De "Scheve" beschikte slechts over twee decors: een bos en een kamer. Met die attributen, en vaste spelers die betaald werden met een fles Boonekamp jenever - maar soms kregen Henri en Jacobsken Winters wat geld - voerde de "Scheve": directeur, regisseur en acteur, alle stukken op die in de toenmalige Franse opera werden vertoond: "De reis rond de wereld" - met als decors een bos en een kamer! -, "Françoise de Rommelmie" (Rimini!), "Revolutie op de daken" - ook weer met een bos en een kamer als decors -, "Koning Massala", "De dood van prins Napoleon in het land der Zoeloes", dat besloten werd met een Vlaamse Leeuw. Het entreegeld was vastgesteld op tien centen, maar dan kreeg men daarvoor nog een goed glas gerstenbier; volgende pinten werden zes centen betaald. De later zo bekende acteur Hubert Laroche debuteerde bij de "Scheve".
Tussen 1874 en 1885 werd de Schelde voor Antwerpen rechtgetrokken en de kaaien werden verbreed; de Visberg werd afgebroken met een aanpalend gedeelte van de Kuiperstraat; dat viel al in de Van Dyckkaai. De "Scheve" moest naar een andere woning uitkijken. Dat gebeurde tussen 1882 en 1885 wanneer hij, weer als herbergier en facteur in bier, zich aan de Hoogstraat nr 67 vestigde. Daar bleef hij gevestigd tot omstreeks 1888, wanneer hij verhuisde naar de Beggaardengang nr 6; hier is hij nog alleen facteur in bier. Rond 1890 verhuisde hij in die hoedanigheid naar de Markgravestraat nr 6 (nr 8 sedert 1911), om kort na het eind van de eerste wereldoorlog, in 1918, naar Oostende te verhuizen. Van dan af heeft Karel Goedemé soms moeilijke tijden gekend. Zijn vrouw was in 1901 overleden. Zijn dochter Elisabeth Paulina, die met Joe Englisch gehuwd was, verloor haar man op 31 augustus 1918; zijzelf overleed te Sint-Michiels bij Brugge in januari 1920. Steun had Karel aan zijn andere dochter, Henriette, die van Oostende naar Antwerpen terugkeerde, waarschijnlijk na het overlijden in de eerste stad, op 4 april 1934, van haar nicht Godelieve English, dochter van haar overleden zuster Elisabeth.
Te Antwerpen was Karel Goedemé steeds een graag geziene figuur. Zijn boezemvriend Dree De Weerdt droeg hem de elfde reeks (1883) van zijn volksliedjes op. Toen in 1892 het eerste lokaal van het Syndicaat van Handel en Nijverheid werd ingehuldigd aan de Borzestraat, naast het telegraafkantoor, zong de "Scheve" er twee van zijn geliefkoosde kluchtliederen: "Dat arm Boulangéke: Er was eens nen Fransen bakker..." en "Het Sint-Andries-kwartier". Op 22 september 1895 werd Goedemé zelf gehuldigd in de grote zaal van de Burgerkring. Op 28 maart 1906 sprak hij over zijn overleden boezemvriend Dree De Weerdt in de zaal van het "Koninkske" aan de Wolstraat (nr 5) en bij de herdenking van Dree in de jongensschool van de Quellinstraat te Antwerpen, op 6 december 1925, zong de tweeëntachtigjarige "Scheve" nog liederen van zijn vriend. Financieel ging het de grijsaard toen niet voor de wind.
Bij het bespreken van het klaverblad De Weerdt-Janssens-Goedemé kan men bij de een niet stilstaan zonder de andere twee er onmiddellijk bij te betrekken. Van 1850 af tot voor de eerste wereldoorlog hebben zij door dicht en lied het volk weten te boeien. Maar aan de huidige generatie zijn ze onbekend; het past dan wel ze te gedenken.
Nochtans zou ik het zeer op prijs stellen moesten aanvullingen mij kenbaar worden gemaakt. |