Over de Leuvense Geslachten

Over de Brusselse geslachten werd al heel wat gepubliceerd. Dit is niet het geval voor de Leuvense geslachten. Alleen Willem Boonen in zijn "Geschiedenis van Loven", geschreven op het einde van de XVIe eeuw, maakt er voor het eerst melding van, en geeft een fantasierijke beschrijving van hun ontstaan. Volgens hem zou een zekere Bastijn, graaf van Leuven, zijn zeven dochters uigehuwelijkt hebben aan zeven edelmannen van Leuven en alzo zouden de zeven geslachten zijn ontstaan. Na hem hebben veel andere geschiedschrijvers deze stelling zonder veel kritiek overgenomen.

Wat is desaangaande de waarheid? Dit is de vraag die wij hier beknopt willen beantwoorden. Een feit staat vast, namelijk dat de Leuvense geslachten ontsproten zijn uit de "Sinte Peetersmannen". Over het ontstaan van deze Sinte-Peetersmannen zelf wordt ook heel wat getwist en hangt nog een geschiedkundig nevel. Als men de verschillende auteurs nagaat - en ze zijn zeer talrijk, zowel oude als moderne - die over dit vraagstuk hebben geschreven, komt met tot het besluit dat het Ste-Peetermansschap aangezien werd als een privilegie door de hertog van Brabant, voor bepaalde daden, aan een zekere categorie van personen, bij een authentieke akte geschonken.

Over welke daden of privilegies het in feite ging is evenmin klaar. Dit punt valt trouwens ook buiten het kader van deze bijdrage. Het staat alleszins vast dat Willem Boonen in zijn reeds geciteerd werk voor het eerst spreekt over zeven geslachten, daar waar in de akten over de Ste-Peetersmannen tot in de XVIe eeuw het getal 7 nergens te vinden is. In het derde deel van zijn werk zegt Boonen "Tracterende vande seven oude origineele geslachten ende Peetersmans der Stadt van Loven met al hunne afcomelingen.....die van allen ouden tijden genoempt sijn geweest die welgeborenen van Loven". Van dan af blijft de officiële benamin "de heeren Sinte-Peetersmannen van de seven Adelijcke geslachten der Stadt Loven".

Volgens Divaeus waren in 1262 de geslachten in twee kampen verdeeld, namelijk de Blankaerden en de Colveren "Eodem anno (1262) magna dissensio Lovanii fuit inter Clavarios et Blancardos, patricios, Clavariorrum eo potentior erat factio, quod Arnoldum Wesemalium proximo cognationis gradu attingebat."

Volgens J. Calbrechts liet de familievete zich ook naar buiten gevoelen. Als de hertogin Adelaide haar zoon Hendrik bi haar andere zoon Jan wilde achteruitstellen, zien wij de Blankaerden het voor Jan opnemen; de Colveren daarentegen ijverden voor Hendrik, samen met de heer van Wesemaal die zich gekrenkt voelde omdat hem alle inmenging in de geheimen van het hertogdom ontzegd werden. Hebben de geslachten zich toen rond die beide families geschaard? Men zou het geloven op basis van de oorkonde van 1 september 1360 die zegt "en den eersten, alse van dien dat die goede luden van den gheslechten van hunne voirscreven stad van Lovenen, daer sij mede geregeert heeft geweest, plagen te hebben seven scepenen van den tweeen geslechten, dat si daer af hebben sullen vortane alle jaer vier scepenen dats te wetene, twe van de Blankaerden, ende twe van den Colveren."
"Item, so sullen de voirscreven goede liede van den geslechten hebben alle jare voirstaene elf gesworen, dats te wetene, ses van den Colveren en de vive van den Blakards..."
"Voorts is te wetene dat die voerscreve goede lieden van den geslechten sullen hebben alle jare voertaene vier dekenen, dats te wetene, twe van den Blankaerden ende twe van den Colveren".

Bij het lezen van dit document komt men tot de vaststelling dat van de zeven geslachten eenvoudig weg geen sprake is. Men vindt er slechts twee die in de geschiedenis handelend optreden en die twee verschijnen alsof men de Sinte-Peetersmannen steeds naar hun naam had ingedeeld.

Hoe is men dan in de XVIe eeuw met die ZEVEN geslachten komen uitpakken? Het feit vindt misschien zijn verklaring zegt J. Calbrecht in zijn reeds geciteerde werk, en wij delen deze mening, doordat rond hetzelfde tijdstip hertog Jan, door een oorkonde aan de geslachten van Leuven toezegde uit hun midden zeven schepenen te kiezen, wat hetzelfde voorrecht betekende dat hij aan de Brusselse geslachten had toegekend. Maar voor Brussel werd uitdrukkelijk verklaard dat men de schepenen moest nemen uit de zeven geslachten. Het Brusselse privilegium werd op 24 februari 1333 nog eens bekrachtigd en opnieuw worden de zeven geslachten vernoemd. Daarbij is er een oorkonde waarin de namen van de zeven Brusselse geslachten worden vermeld "Wij Jan bij der gratien ons heeren Hertog van Lotrijck, van Brabandt ende van Limborg, maken condt allen den genen die dese Letteren selen sien ende hoiren lesen, dat ome die twist ende ome die discorden die geweest heet tusschen onse geboortige Lieden van den seven geslachten van onze Stadt van Brussel ende die te hen behooren dats te verstaene s'Huges s'Kints Geslachte, des Weerts Geslachte, des Leus Geslachte, die van Rodenbeke, Seroloefs Geslachte, die uten Steenwege ende die van Coudenberge, ende die ene partie ende die Gemeinte van der selver Stadt in d'ander partie".

Voor de Brusselse geslachten is de zaak dus heel klaar, maar quid met Leuvense? Tot nu toe is er voor mij maar een uitleg mogelijk, namelijk dat de Leuvenaars, inwoners van de voornaamste stad van het Hertogdom Brabant niet ten achter hebben willen blijven ten overstaan van de Brusselaars en de Ste-Peetersmannen naar het voorbeeld van deze, zonder historische vertantwoording hun voorname oorsprong tot zeven adellijke geslachten hebben herleid.

Wat er ook van zij de zeven Leuvense geslachten zijn alleszins vanaf de XVIe eeuw een feit geweest. Zij en hun aanverwante families hebben beslist in het politieke-sociaal-economische leven van de stad een grote rol gespeeld. Ten informatieve titel geven wij hierna de namen van deze geslachten met de voornaamste families die er mede verwant waren.

I. UTEN LIEMINGEN, Nobel, De Vos, Van den Bollenborne, Cardinael, Blanckaert, van Oppendorp alias de Meyere, Gruwel, Bullinsone, van Rode, Corsebout, de Colvere, genoempt uten Bruele, de Poirtere, van Nethenen, van Huldt, Goedertoj, Lise ende Vorenlisensone, van Herent, van Erps, van Rielaer, de Rijcke, Keijenooghe, de Riddere, van Bommaele, de Witte, de Swertvergere, Pieders, van Wijchmaele, van Outheverle, vanden Berghe, Cricksteen, Evelooghe, van Dormaele, van der Speckt, Cooman, de Pape, de Melckere, Smacht, Corsbout, Quinque, Puyse, van Velpe, Baten, van Iperen, van den Stocke, Boys, van Nethenen, de Riddere, van Bommale, van Roode, van Huldenberghe, van Wychmael, Vilain, van Duysborch, van Schore, van Langrode, Oliviers, van Daelhem, Longueville, van Assche, van der Heyden, de Bucq, Waeffelaers, van Liedekercke, Bodden, Le Begghe, Lievens, van Assche genoempt Asca, Hougaerts, de Borchgreef, de Bruyne, de la Hault, van Eynatten, Bugghe, de Greven, Sylvius (Bosmans), de Vroye, van den Bossche, van Schutteput, de Busschere, van den Abeele, van Gutschoven, Smits, Cuypers, Deens, Hermans, Liser, Philippi, van Buggenhout, van Roost, de Coenen, van Cruyninghen, Roose, Crabeels, Standaerts, de la Hamayde, Willemaers, van der Buecken, Hendrickx, van Langendonck, Goes, Broeckman, van Voshem, van Cutsem, t'Kint, Mosselman, de Mauroy de Merville, van Overbeke.

II. VAN DER CALSTREN, van Oirbeke, van der Tommen, van Corbeke, van Herent, Heren-Godevards, van Graven, de Zedeleer, de Blyde, van Oxelaer, de Ketelaere, de Riddere, Ratteman, van Rode, Heyme, Herenmaes, Herenmeys, van Berthem, van Crachoven, van Ratshoven, van der Borch, Roelants, Hers, Abraen, Pinnock, Platvoet, de Kersmakere, Rogghe, van Dormale, de Vos, De Vroede, Uter Poorten, van den Temple, van Duffle, van Meldert, van der Biest, Heverlinck, de Swertere, Loenys, van Ludeken, van Montenaken, van Grimde, Ghans, van Doirne, de Grutere, Vermere, Corcebout, Masson, van Gaelen, van Schoonhoven, de Ketelboere, Roeloffs, van Raveschot, ab Angelis, de Tenremonde, van Caverson, Daneels, de Fusco, van Cranevelt, de Cupere, van der Straeten, de Herckenrode, van der Noot, van Dieve, Petit, Schotte, van Udekem.

III. VAN REDINGEN, van Borneval, van Beert, van Rode, Boxhorn, van Lifkenrode, van Nethenen, Coutereel, Corsbout, van Wilre, van Siggenen, Edelheere, Lombarts, de Kersmakere, Roekeloos, van Wytvliet, van Hondsbergen, Pylyser, Schorebroot, van Griecken, Blyleven, van Vlierden, Peeters, van Mechelen, de Stembor, Romanus, van Malcot, van Couwenhoven, van de Ven, van der Dilft, van de Werve, van Bemmel, Bosscharts, Rol.

IV. VAN DEN STEENE, Venenbruden, Minnemoon, Utenhove alias de Zedeleer, Lachman, van den Grate, Edelheere, Camerlinck, van Watermale, Absaloons, van den Huffle, Roeloffs, van Nethenen, De Keysere, van Ralebeke, de Rolenaer, Rabode, de Riddere, van der Biest, Everyns-broeder, van Vorselaer, de Ketelere, de Waersegghere, Vinkx, van St. Guericx, van Botnia, van der Borcht, van Baussele, van der Beken, de Plaines, van Brecht, Typoets, van Dongelbergh, van der Vorst, Kervel, van den Driessche, van Dielbeeck, Le Roy, Havens, d'Amezaga.

V. VERRUSALEM, Voerloop, van den Borchoven, Meyssone, de Cordelere, van den Berghe, Amelryckx-sone, van Berghen, Oliviers, van den Berghen.

VI. GIELIS, van Huldeberghe, van Wencsele, van Quaderibbe, van Corbeke, Witteman, van der Linden, de Witte van Overloo, van Geldenaken, van Laethem, van Udekem, de Mera, de St-Victor.

VII. VAN RODE, van der Hostadt, van Vertheke, van der Quaderbruggen, Edelheere van Velthem, Absaloons, Vrancx, Uytterhellicht, Crupelant, van der Saelen, van Lovene, Gheilen-sone, Vernogeren, van den Berghe, van Winghe, van Schoonhoven, van Pulle, van der Borcht genoempt Uytterhellicht, van der Hoeven, Kyps, de Laistre, van Moorsele, Oudart, van den Heetvelde, van den Bauwette, Hulet, Boonen, van Batzon, Impens, a Donia, van Spoelberch, van Diependael, van den Torre, Glavimans, van Werm, Baelmans, van den Schrieck, Caels, Thielens, van Overbeke, Donyn de Chastre, de Crabbé.

(bewerkt door P. POTARGENT, artikel raadpleegbaar in Vlaamse Stam, jaargang 1971, p.129)

Deze informatie is vrij beschikbaar.
Nochtans zou ik het zeer op prijs stellen moesten aanvullingen mij kenbaar worden gemaakt.