Volkstelling in het aloude Hertogdom Brabant

De historische demografie van België is nu al lang in de mode.  De historicus weet dat hij met meetbare verschijnselen moet rekening houden, en het mag in het vooruitzicht gesteld, dat bepaalde demografische bronnen op computer zullen worden overgeprogrammeerd.  De volkstellingen, die aan de basis van de historisch-demografische bronnenkunde liggen, zijn echter ook bijzonder nuttige instrumenten voor de socioloog, - en natuurlijk ook voor de sociaal-historicus.  De beoefenaars van de familiekunde - d.i. de historici van het sociaal stramien, hebben ook al vroeg gebruikt gemaakt van de volkstellingen, al weze het niet systematisch.  Nochtans blijft het zo, dat slechts beslagene, ervaren genealogen ze weten uit te baten.  En dit alhoewel de tellingen gegevens van onschatbare waarde verstrekken: ze "clicheren" als het ware een gezin op een bepaald ogenblik, op een nauwkeurig te bepalen datum.  Althans is dit zo, wanneer de telling goed opgemaakt werd, en natuurlijk ook wanneer alles van de telling bewaard werd.

Maar zelfs goed opgemaakte tellingen verzuimen vaak een juist beeld te geven van de gezinnen, - omdat niet alle tellingen zulk een doel beogen.  Wanneer een telling slechts een aantal "bewoonde" huizen van belastingsplichtigen verschaft, vermeldt ze vanzelfsprekend niet hoeveel armen (= niet belastingsplichtigen) er te vinden waren, noch de samenstelling van hun gezin.  Andere inlichtingen kunnen echter steeds bij de vleet gehaald; die inlichtingen zullen wel sociaal-, economisch of politiek-historisch gewichtig zijn, - maar niet noodzakelijkerwijs onmiddellijk familiekundig.

Voor een familievorser hebben de tellingen echter een niet te overschatten waarde.

De tellingen in het aloude hertogdom Brabant kunnen over twee reeksen worden ingedeeld, die elk een eigen karakter bezitten, en andere inlichtingen verschaffen.  Het zijn: 1) de tellingen tot in de XVIde eeuw en anderzijds 2) de XVIIde en de XVIIIde eeuwse tellingen. Laten we ze reeks per reeks bondig onderzoeken.

1. Brabantse tellingen tot in de XVIde eeuw.

Dit zijn wel de makkelijkst bruikbare, want uitgegeven.  J. Cuvelier publiceerde ze immers: Les dénombrements de foyers en Brabant.  XIVe-XVe siècle, in de zgn. in-4°.  Verhandelingen van de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis (Brussel, 1913, in-4°, en 1914, eveneens in-4° de Table onomastique.  Enkele sindsdien ontdekte documenten werden nog hier en daar uitgegeven, maar ze brengen geen wezenlijke verandering aan.

De Brabantse tellingen tot de XVIde eeuw zijn van: 1374, 1437, 1467, 1472, 1480, 1492, 1496, 1526, 1548, 1553 en 1564.  Haar demografische waarde is uiterst verschillend: de telling van 1526, bij voorbeeld, verschaft het aantal begoede en bewoonde haardsteden, de leegstaande huizen, het aantal arme gezinnen, het aantal boerderijen, dat der geestelijken en der lenen.  Daarentegen worden in 1492 slechts de getallen der belaste huizen gegeven, terwijl 1437 alle huizen telde, en 1374 het aantal inwoners.  Dit alles gebeurde al naar gelang de belasting die de Hertog wilde en mocht innen.

De familiekundige vindt daar niet veel in, tenzij zijn voorouders wethouders waren of leenmannen.  Een uittreksel zal echter klaar voor ogen brengen, wat zo een telling aanleren kan:

(1496) - Overgebracht en geaffirmeert, 6ta Junii, bij heren Janne die Weeze, erfprochiaen, Gielyse Mertte, meyere, Heinricke de Bailluw ende Goossene van Herboys, scepenen tot Jette, Adame die Dobbelaere, heylichgeestmeestere ende bedesettere:

GANSHOREN

Bewoende (huizen) : 9

Arme (huizen): 4

Onbewoende (huizen): 1

U ziet het, lezer: de pastoor, de meier, twee schepenen en een armenmeester tevens bedezetter, - honoratiores, en geen anderen.

2. Brabantse tellingen in de XVIIde en XVIIIde eeuwen.

Verscheidene tellingen uit deze eeuwen kwamen tot ons.  De meest belangrijke zijn dezen van  1693, 1709, 1755 en 1784.  De waarde van deze tellingen werd in uiterst degelijke studie onderzocht, in een klassiek geworden boek van Arthur Cosemans.  Het werk heet De bevolking van Brabant in de XVIIde en XVIIIde eeuw; het verscheen in Brussel in 1939, in de zgn. in-8° reeks der Verhandelingen van de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis.  De tellingen zijn:

1693: Brussel, Algemeen Rijksarchief, Office fiscal, nrs 351-363 (zgn. register reeks), een telling uitgevoerd in het raam van de graanpolitiek, dit is, in de hoop zulkdanige maatregelen te kunnen treffen, dat de vijand uitgehongerd worde.  Er zijn véél leemten in de bewaarde reeks.  Ontbreken immers: de meierij Halen (uitgezonderd Halen zelf, en het klooster 's-Hertogeneiland), de meierij Zoutleeuw, de meierij Zichem (uitgenomen Scherpenheuvel, Nieuwrode en Zichem), de meierij Kampenhout (uitgenomen Everberg, Kortenberg-abdij en Meerbeek), de meierij Kapelle-op-den-Bos, de meierij Merchtem grotendeels, de meierij Sint-Genesius-Rode grotendeels, de meierij Gembloux (uitgenomen Gembloux zelf), de meierij Genapiën (Genappe), de meierij Hannut (grotendeels), de meierij Nijvel grotendeels, de meierij Ter Hulpen (La Hulpe) en de Vrijheden van Brabant (uitgenomen Jumet en Ransart).  De nominatieve tellingen van onze Kempen werden echter doorgaans goed bewaard.

1709: Brussel, Algemeen Rijksarchief, Office fiscal, nrs 321-337, en 338-1 (zgn. register reeks), een telling uitgevaardigd met deze politieke bedoelingen als in 1693, en eveneens onvolledig bewaard.  Ontbreken inderdaad; meierij Asse (uitgenomen Hekelgem), Land van Gaasbeek, meierij Kampenhout, meierij Kapelle-op-den-Bos, meierij Merchtem (uitgenomen Grimbergen), meierij Sint-Genesius-Rode (uitgenomen Elsene en Oudergem) en meierij Vilvoorde.  Zelfs afgezien van deze grote leemten, is de telling van 1709 bij bijzonder betrouwbaar.

1755: Brussel, Algemeen Rijksarchief, Office fiscal, nrs 364-405 (zgn. register reeks).  Deze telling lijkt wel de eerste telling in Brabant, waarvan de uitvaardiging werd ingegeven door populationistische politieke doelstellingen.  Weerom ontbreken veel bundels, en nml. dezen voor de meierijen Twee-Geten en Zoutleeuw, voor het land van Gaasbeek, voor de meierijen Vilvoorde, Gembloux, Hannut, Incourt (uitgenomen Gottechain), Mont-Saint-Guibert (uitgenomen Wavre) en Nijvel; verder de lijst van de Vrijheden van Brabant, en van de Kwartieren van Lier en Rijen (uitgenomen Antwerpen-stad).  Dààr echter waar bewaard, verschaffen de tellingen gedaan in 1755, en die nominatief zijn, een reeks inlichtingen van onschatbare waarde.  Schier allen geven nagenoeg zoveel als de Wethouders van Sint-Agatha-Berchem het deden.  Sommige geven nog méér, nml. de naam van de echtgenote, vb. Bekkerzeel, Hulsthout, Loenhout, Libertange.  Anderen daarentegen beperken er zich bij niets meer te geven dan de naam van het gezinshoofd, lijk vb. Sint-Pieters-Jette of Willebroek.

1784: Brussel, Algemeen Rijksarchief, Geheime Raad, Kartons nrs 1339 en 1340.  De telling van 1784 werd ook ingegeven door de populationistische politiek, en had de eerste wetenschappelijke telling van Brabant hoeven te zijn.  Ze werd echter bijzonder slordig uitgevoerd.  Van bijster groot belang is ze voor de familiekundige niet.

Een bekend franstalig genealoog, die zijn werken François de Cacamp tekent, gaf onder de beginletters F. d. C. een repertorium uit van de drie eerste tellingen: Recencements de la population en Brabant aux XVIIe et XVIIIe siècles, op blz. 167 tot 187 van band VII (1964) van het genealogisch tijdschrift Brabantica.  Dit zeer nuttig repertorium volgt de administratieve indeling van het Ancien Régime.

(bewerkt door J.G. DE BROUWERE, artikel raadpleegbaar in Vlaamse Stam, jaargang 1971, p.169)

Deze informatie is vrij beschikbaar.
Nochtans zou ik het zeer op prijs stellen moesten aanvullingen mij kenbaar worden gemaakt.